‘Je kunt iets zo hard willen, zo grenzeloos genadeloos veel, dat het bezield raakt. Naar adem snakt. Lééft.’

Het slot van de Pindakaas en Sushi-trilogie!

De vriendschap is verbroken. Na de vakantie in Japan is Marles relatie met Flo over en kan beste vriendin Joyce haar bloed wel drinken. Terug in Nederland moet ze bovendien het loodzware eerste jaar Japanstudies zien te overleven. Maar Marle heeft een plan om de wereld op zijn kop te zetten – de vraag is alleen of haar dat niet alles zal kosten waarvoor ze heeft geknokt.

Hoever zou je gaan om het weer goed te maken? Kom erachter in deze sprankelende en originele young adult-roman voor iedereen met een warm hart voor Japan.


Pindakaas en Sushi 3 volgt niet alleen de ontknoping van Marles worsteling om haar vriendengroep bij elkaar te houden, ook krijgt ze te maken met een wel héél onverwachte huisgenoot. Iets te maken met de oude samoerai en het bovennatuurlijke beeldje dat ze kreeg in Japan… Na de stuipen op het lijf te zijn gejaagd op haar vakantie, is het de vraag of Marle inmiddels iets beter heeft leren omgaan met de geestwereld. Argh, en al die afleiding nét nu ze haar eerste jaar Japanstudies wil halen!

 

Bezoek de webshop om Pindakaas en Sushi 3 te bestellen

Fragment

En, jawel. Ik zit nog geen vier armzalige minuten met mijn neus in de boeken of ik hoor Toby weer naar boven komen. Meestal beklimt hij de trap met twee treden tegelijk, enthousiast om mij te zien, maar nu stapt hij stilletjes. Het stormachtige weer zal zijn geestdrift toch niet hebben geknakt? De arme drommel heeft geen sleutels bij zich, dus ik klap opnieuw de leerstof dicht en ga richting de deur.

Ik heb nog steeds geen lieve manier bedacht om je af te wimpelen vanavond. Maar ik kan het beter meteen zeggen. Zodra je bent opgewarmd, tenminste.

Toby bereikt mijn verdieping, zijn passen nu haast onhoorbaar op het tapijt. Er klinkt even niets, alsof hij is vergeten hoe aan te kloppen. Hij heeft zijn handen vast vol boodschappen. Zonder zijn karakteristieke tromgeroffel op de deur af te wachten, draai ik de klink om.

Ik wil zeggen: “Komt u binnen, heer Chocomel,” en verwacht zijn koude lippen als een speldenprik op mijn wang.

Maar er staat helemaal geen Toby voor de ingang. Het is Flo, met een laagje pluissneeuw op zijn muts en kraag, zijn neus rood van de schrale wind. Minder mager dan toen ik hem voor het laatst zag, maar verder nog geen spat veranderd. Ik ben op slag aan de grond genageld. Ik kan niet eens achteruit deinzen, alle besef van tijd en ruimte gaat verloren. Dat bleke gezicht waar ik zo van hield, die gravende, serieuze ogen. Vanuit mijn onderbewuste stuiven herinneringen op als geschrokken eenden na een schot in Duck Hunt.

De eerste keer dat we de liefde bedreven, in zijn ruime bed. Zo gespannen dat ik niets kon zeggen, hij nauwelijks kon vinden wat hij zocht. Daarna samen de slappe lach.

In de taxi naar ons hotel in Tokio. Slaapdronken na de vlucht, waardoor niets meer echt leek. De buitenwereld sjeesde voorbij en Flo en ik lagen moe tegen elkaar aan. Zijn schouder beter dan ‘s werelds beste kussen.

En daar staat hij nu, alsof er niks is veranderd. Sneeuwvlokken dwarrelen van zijn schouders naar beneden. Zijn gezichtsuitdrukking verschuift van lichte aarzeling naar de glimlach die hem zo siert.

“Had je mijn berichten niet gelezen?” Hij trekt de muts van zijn hoofd. Zijn asblonde lokken veren alle kanten op. “Ik dacht dat je het lastig vond te reageren, dus ik neem je de keuze maar uit handen. Mijn oprechte, machiavellistische excuses.”

Met één statement ben ik terug naar af. Geen enkele van mijn scenario’s hield hier rekening mee. O, ik verwachtte hem misschien te zullen zien op een festival, van een afstandje, of ergens online met een verdwaalde Like, maar niet als donderslag bij heldere hemel op mijn eigen drempel. Een geest uit het verleden. Iemand die in mijn wereld niet meer écht bestond. Na een eeuwigheid verbreek ik het oogcontact, maar pas als ik elk detail in me heb opgenomen. Daarna voelt het alsof een deel van me in hem is achtergebleven.

“Kom,” haper ik, “kom binnen.”

Na deze totale verstijving springt mijn lichaam aan met energie voor twee. Hij wil vast iets warms drinken, het is zo koud buiten! Ik sprint naar de keuken, gooi de lauwe lading uit de waterkoker, vul de waterkoker, zet de waterkoker aan, wacht nee, terug naar Flo, die moet zijn jas uit, maar hij weet natuurlijk nog wel waar de kapstok is en bovendien is hij een grote jongen, dus toch terug naar de waterkoker, maar er zijn pas een paar seconden gepasseerd en zó snel is de waterkoker ook weer niet, dus er moet een stoel worden gehaald, of beter nog op de bank zitten, maar die heb ik al tijden niet afgestoft, dus dit is het juiste moment daarvoor, en een warme sweater uit de kast, die droeg hij vroeger vaak bij kou, de waterkoker borrelt, zijn jas hangt aan de kapstok, een mooi kledingstuk, zelfs met sneeuw erop, nu aandacht voor de waterkoker, twee theezakjes voor twee mokken, dat doe ik normaal nooit maar dat bedenk ik pas achteraf, damp uit de waterkoker beslaat mijn glazen, ik stoot mijn knieën als ik de mokken naar de zithoek draag, gezellig op de bank met mijn ex en thee die is gemaakt met warm water. Uit de waterkoker.

Oké, kalm, kalm, kalm. Huuu, Marle.

Ondertussen zit Flo voor het eerst in een half jaar weer bij mij binnen. Hij keek geen moment raar op van mijn dwaasheid. Duidelijk beter voorbereid dan ik.

“Hoi Marle,” zegt hij grijnzend.

Oja, ik had hem nog niet eens begroet. “Hoi, hoi Flo.”

Nieuwsgierig naar meer Pindakaas en Sushi 3? Bekijk het boek in onze webshop.